Beleidsbundel
Gewelds- en zedenmisdrijven met ernstig letsel
Doel
Deze beleidsregel bevat het beleid over aanvragen van een kosteloze toevoeging voor:
- slachtoffers van een gewelds- en seksueel misdrijf met ernstig letsel;
- nabestaande(n) van slachtoffers in een strafzaak;
- het vorderen van (aanvullende) schadevergoeding in een civiele procedure.
Kader
Deze zaken wijken af van het reguliere toetsingskader dat in elke andere beleidsregel wordt aangehaald.
Specialisatie
Voor deze zaken gelden de specialisatievereisten Slachtofferrecht.
Voor uitzonderingen zie beleidsregel 3.3 Specialisatie advocaat/niet ingeschreven advocaat met bijlage.
Voor cassatie in Civiele zaken, zie de beleidsregel
Gebruikersinstructie: Als de rechtsbijstandverlener niet als Slachtofferspecialist is ingeschreven wijs je de aanvraag af met tekstcode 182.
Beleidsregel
De Raad kan een (paraplu)toevoeging
Toelichting:
De paraplutoevoeging geldt voor alle advieswerkzaamheden met betrekking tot de problematiek bij ernstige gewelds- en seksuele misdrijven en de eerste procedure die hieruit voortvloeit. Bij vaststelling van de vergoeding blijft de zaakcode altijd O013, ongeacht wélke procedure is gevoerd. Zie de beleidsregel Artikel 29 Bvr.
Werkzaamheden die vallen onder de paraplutoevoeging, zijn o.a.:
- Bijstand bij aangifte bij de politie;
- Voeging als benadeelde partij;
- Bijstand bij slachtoffergesprek of veiligheidsgesprek met OvJ;
- Bijstand bij verhoor RC van slachtoffer, getuigen;
- Bezwaar RC bij weigering kennisname stukken;
- Beklag niet vervolgen na sepot OvJ;
- Opvragen van het strafdossier / inzage in het strafdossier;
- Opstellen van de vordering van het slachtoffer;
- Opstellen van de schriftelijke spreekrechtverklaring
- Bijwonen van de zitting(en);
- Uitoefenen van het spreekrecht namens het slachtoffer;
- Mensenhandel: bijstand bij het verkrijgen van een tijdelijke vergunning tot verblijf op humanitaire gronden, (voornemen) intrekking verblijfsvergunning.
verstrekken voor het uitoefenen van slachtofferrechten in een strafproces tegen de directe verdachte, of voor het vorderen van (aanvullende) schadevergoeding in een civiele procedure tegen die directe verdachte bij een geweldsmisdrijf met ernstig letsel en bij een seksueel misdrijf met ernstig letsel als:
- Er een verdachte is in de zaak en deze is bij Justitie bekend,
én
- het slachtoffer (of de nabestaande) in aanmerking komt voor een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven op grond van artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
Toelichting: Dat “verdachte bekend is bij justitie is buitenwettelijk begunstigend beleid. Artikel 44 lid 4 Wrb schrijft voor dat in de desbetreffende zaak vervolging is aangevangen.
Een advocaat kan een O013-toevoeging aanvragen op het moment dat rechtzoekende daadwerkelijk aangifte gaat doen en de verdachte bekend is. Door het doen van aangifte wordt de verdachte ‘bekend bij Justitie’.
De definitie van het slachtoffer is wettelijk vastgelegd: ‘Slachtoffer is degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden (art. 51a lid 1 onder a sub 1 Sv).’
De definitie van nabestaande is familielid van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit (art. 51a lid 1 onder a sub 2 Sv). Welke nabestaanden in aanmerking komen voor kosteloze rechtsbijstand op grond van artikel 44 lid 4 Wrb wordt bepaald door artikel 3 lid 2 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. De Raad beschouwt de onderstaande categorieën standaard als nabestaanden:
- Echtgenoot;
- Geregistreerd partner;
- Partner waarmee een gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd;
- Ouders, inclusief adoptieouders;
- Kinderen, zowel minder- als meerderjarig, inclusief adoptiekinderen;
- (Half)broers en (half)zussen;
- Minderjarige stief- of pleegkinderen.
Andere personen komen in beginsel niet in aanmerking voor een O013-toevoeging. De beleidsregels O010 en/of Z110 kunnen wel van toepassing zijn.
Stief- en pleegkinderen komen niet altijd in aanmerking voor een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Zij moeten aantonen onder de bepalingen van artikel 3 lid 2 Wsg te vallen. Bij de beoordeling van een aanvraag O013 neemt de Raad aan dat dit het geval is, zonder een nadere motivering van de advocaat te vragen.
Een persoon die niet onder de bovenstaande opsomming valt kan toch een nabestaande zijn, als deze met het slachtoffer in gezinsverband samenwoonde en daarvan afhankelijk was voor het levensonderhoud. (Artikel 2 lid 2 onder b, c en d Wsg) Een beroep op deze uitzondering moet worden gemotiveerd.
Niet iedereen die zich als benadeelde partij kan voegen in de strafprocedure is een slachtoffer in de zin van artikel 44 lid 4 Wrb en 51a Sv. Ook indirect benadeelden en/of naasten kunnen zich voegen. Het gaat hier om personen die niet direct zelf slachtoffer zijn geworden van het misdrijf en ook geen nabestaande zijn van een overleden slachtoffer (zie volgende paragraaf), maar wel een schadevordering hebben op grond van bijvoorbeeld shockschade , affectieschade of verplaatste schade . Deze personen komen niet in aanmerking voor een O013-toevoeging.
Bepalend is niet of rechtzoekende de uitkering aanvraagt of daadwerkelijk ontvangt, maar of het geleden letsel kan leiden tot een tegemoetkoming. De advocaat motiveert dit in de aanvraag om toevoeging.
Indirect benadeelden en/of naasten
Voor een nadere toelichting op het onderscheid tussen het directe slachtoffer en indirect benadeelden zijn een aantal bronnen beschikbaar.
WODC-rapport: Slachtofferadvocatuur, De rol van de advocatuur in de bijstand van slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven (2019)
Degene die rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van een strafbaar feit kan zich ter zake van zijn vordering voegen als benadeelde partij in het strafproces (art. 51f lid 1 Sv). Met de bepaling dat de schade ‘rechtstreeks’ moet zijn geleden wordt de kring van voegingsgerechtigden beperkt tot die personen die zelf zijn getroffen in een belang dat de bepaling beoogt te beschermen. De benadeelde partij kan tevens slachtoffer zijn in het strafproces, maar dat hoeft niet. De kring van personen die zich kan voegen als benadeelde partij is ruimer: ook indirect benadeelden, die geen rechtstreekse schade hebben geleden, kunnen zich bijvoorbeeld voegen op grond van artikel 51f lid 2 Sv. (…) Verder kunnen personen die niet primair slachtoffer zijn, maar die vergoeding van shockschade vorderen (waaronder begrepen materiële schade als het verlies van arbeidsvermogen) zich onder bepaalde voorwaarden voegen als benadeelde partij in het strafproces.
Hoge Raad: Overzichtsarrest vordering benadeelde partij (ECLI:NL:HR:2019:793)
2.4.6
Onder de limitatieve opsomming in art. 6:106 BW valt niet de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste, de zogenoemde ‘affectieschade’. Door de inwerkingtreding op 1 januari 2019 van de Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132), wordt de kring van tot schadevergoeding gerechtigden echter verruimd in die zin dat het voor de in art. 6:107, tweede lid, BW en art. 6:108, vierde lid, BW genoemde naasten van slachtoffers mogelijk wordt om een (forfaitaire) vergoeding van affectieschade te vorderen indien sprake is van overlijden of ernstig en blijvend letsel van het slachtoffer. Art. 51f, tweede lid, Sv is gewijzigd in die zin dat deze naasten zich in het strafproces kunnen voegen met de hier aan de orde zijnde vordering tot vergoeding van ‘affectieschade’.
2.4.7
Met betrekking tot het overgangsrecht blijkt uit de wetsgeschiedenis dat deze verruiming slechts gevolgen heeft ten aanzien van schadeveroorzakende gebeurtenissen die plaatsvinden na de inwerkingtreding van deze wetswijziging per 1 januari 2019.
2.4.8
Daarnaast is art. 51f, tweede lid, Sv gewijzigd in die zin dat derden zich met ingang van 1 januari 2019 in het strafproces kunnen voegen ter zake van de kosten die zij ten behoeve van het slachtoffer hebben gemaakt, de zogenoemde ‘verplaatste schade’ zoals bedoeld in art. 6:107, eerste lid onder a, BW. Dit betreft kosten die het slachtoffer, als niet de derde maar hijzelf deze zou hebben gemaakt, van de verdachte had kunnen vorderen; in de wetsgeschiedenis worden als voorbeelden genoemd de reparatiekosten van een fiets, die de ouders voor hun rekening nemen na een ongeval van hun kind, en de kosten die ouders hebben gemaakt voor de medische behandeling en begeleiding van een misbruikt kind.
De omstandigheid dat art. 6:107 BW aan derden een eigen recht op schadevergoeding toekent ter zake van ‘verplaatste schade’ en de thans op grond van art. 51f, tweede lid, Sv bestaande mogelijkheid voor die derden om zich ter zake daarvan te voegen in het strafproces, doen overigens niet af aan de bevoegdheid van het slachtoffer om, als benadeelde partij, ook zelf vergoeding van deze schade te vorderen. Bij een en ander verdient aantekening dat, indien de verdachte de schade heeft vergoed aan de derde die de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, hij in zoverre ook tegenover het slachtoffer is bevrijd en omgekeerd.
Voldoet de aanvrager aan dit inhoudelijk kader, dan verstrekt de Raad zónder financiële toets een kosteloze toevoeging.
Gebruikersinstructie: De advocaat moet de aanvraag voldoende toelichten. Blijkt bovenstaande niet voldoende uit de aanvraag dan vraag je informatie op over bijvoorbeeld:
- De volledige naam van de verdachte;
- De aard van het misdrijf;
- Een toelichting op het letsel;
- De toepasselijkheid van een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Het recht op kosteloze rechtsbijstand in strafzaken eindigt nadat de vervolging definitief is geëindigd.
Toelichting: Bij onherroepelijke veroordeling of vrijspraak van de verdachte.
Vroeg stadium bij ernstig gewelds- of zedenmisdrijven: LAT
Is nog geen verdachte bekend, dan verstrekt de Raad een lichte adviestoevoeging voor het adviseren en informeren over:
- De aangifte;
- Het opsporingsonderzoek;
- De rechtspositie van het slachtoffer;
- De mogelijkheden van het verkrijgen van een schadevergoeding.
Zodra de verdachte bekend is, kan de Raad op verzoek van de advocaat de LAT omzetten naar een reguliere toevoeging.
Dood door schuld en verkeersongeval met dood door schuld
Als nabestaanden van het slachtoffer bij dood door schuld (art. 307 Sr) of verkeersongeval met dood door schuld (art. 6 WVW) in aanmerking komen voor een uitkering van het Schadefonds geweldsmisdrijven en de zaak aan de overige voorwaarden voldoet, dan kan de Raad aan nabestaanden een toevoeging verstrekken met zaakcode O013.
Toelichting: Hoewel geen sprake is van een opzettelijk gepleegd misdrijf kan in deze zaken de zaakcode O013 van toepassing zijn.
Geen O013
De zaakcode O013 is niet van toepassing op andere soorten zaken, waaronder (niet limitatief):
- Zaken tegen derden;
- Zaken waarin het vorderen van schadevergoeding niet mogelijk is, zoals het tuchtrecht;
- Zaken waarin geen sprake is van een gewelds- of seksueel misdrijf;
- Zaken waarin het letsel niet zou leiden tot een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.
Misdrijf gepleegd in buitenland (geen toevoeging)
Als rechtzoekende slachtoffer is van een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf in het buitenland, dan valt de zaak niet onder de Nederlandse rechtssfeer.
Toelichting: Zie beleidsregel Nederlandse rechtssfeer 3.2
Gebruikersinstructie: Valt de zaak niet onder de Nederlandse rechtssfeer, dan wijs je de aanvraag toevoeging af met tekstcode 026 (Nederlandse rechtssfeer).
Het Schadefonds verstrekt alleen een uitkering als het gewelds- of zedenmisdrijf in Nederland plaatsvindt. Wordt de verdachte echter in Nederland vervolgd, dan verstrekt de Raad bij uitzondering toch een O013-toevoeging aan het slachtoffer.
Toelichting: De advocaat overlegt bij de aanvraag toevoeging bewijsstukken waaruit blijkt dat vervolging in Nederland is aangevangen.
Andere relevante beleidsregels
Financiële beoordeling, geen eigen bijdrage
Zie beleidsregel 2.3.1 Financiële beoordeling, geen eigen bijdrage
Vordering benadeelde partij in strafproces
Verzoek schadevergoeding bij schadefonds Geweldsmisdrijven
Beklag niet vervolging
Straat- en contactverbod
Aanvraag verlenging verblijfsvergunning regulier
Gebruikersinstructie omzetten O013 naar Z110
Zie
Omzetten O013 naar Z110
Het is in GRAS niet mogelijk om een O013-toevoeging om te zetten naar een Z110-toevoeging. De werkwijze is als volgt:
1. Maak een nieuwe toevoeging aan
Je maakt een nieuwe toevoeging aan met code Z110. Voor het invoeren van de financiële gegevens op de toevoeging houd je je aan de werkwijze in de werkinstructie onder paragraaf ‘Invulinstructie financiële gegevens’. Let op: je neemt de datum aanvraag/datum afgifte van de eerste toevoeging over in het beoordeelscherm (door aanpassing van de datum aanvraag wordt automatisch de normdatum aangepast).
2. Beoordeel de draagkracht
a. Blijft de draagkracht van de ouder(s)/voogd(en) binnen de normen, dan stel je de eigen bijdrage op grond van artikel 43 lid 3 Wrb op nihil. Motiveer je beslissing met de volgende tekst: “Deze beslissing vervangt de eerdere beslissing met kenmerk [eerder toevoegnummer]. De zaakcode is aangepast. Er wordt geen eigen bijdrage opgelegd.”
b. Valt de draagkracht van de ouder(s)/voogd(en) buiten de normen, dan wijs je de toevoeging af met AFF. Motiveer je beslissing met de volgende tekst: “Deze beslissing vervangt de eerdere beslissing met kenmerk [eerder toevoegnummer]. De zaakcode is aangepast en de Raad heeft alsnog de draagkracht van de ouders(s)/voogd(en) beoordeeld.
3. Intrekking O013-toevoeging
Je trekt de eerder afgegeven toevoeging met zaakcode O013 in. Je motiveert de beslissing in je conceptbrief met de volgende tekst: “De toevoeging wordt om administratieve redenen ingetrokken. De Raad heeft een nieuwe beslissing genomen met kenmerk [toevoegkenmerk nieuwe toevoeging] en zaakcode Z110’’.
4. Vergoeding
a. Er is een verzoek tot vergoeding ingediend op de O013-toevoeging
Je wijst het verzoek om vergoeding af met tekst: “U heeft een aanvraag voor een vergoeding ingediend. Uit de stukken blijkt dat de zaakcode op de toevoeging niet juist is. Omdat het om administratieve redenen niet mogelijk is om de zaakcode aan te passen, is de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken en wordt uw aanvraag vergoeding afgewezen. De Raad heeft een nieuwe beslissing genomen met kenmerk [toevoegkenmerk nieuwe toevoeging].”
b. Er is al een vergoeding vastgesteld op de O013-toevoeging
Je trekt de vergoeding in met de tekst: “Uit de stukken blijkt dat de zaakcode op de toevoeging niet juist is. Omdat het om administratieve redenen niet mogelijk is om de zaakcode aan te passen, is de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken en wordt ook de aan u verstrekte vergoeding door de Raad voor Rechtsbijstand ingetrokken. De Raad heeft een nieuwe beslissing genomen met kenmerk [toevoegkenmerk nieuwe toevoeging].”
c. Nieuw besluit vergoeding
• Is de nieuwe Z110-toevoeging verstrekt, dan stel je de vergoeding vast op de nieuwe toevoeging;
• Heb je op de Z110-toevoeging een AFF-besluit genomen, dan wijs je de vergoeding af met de volgende tekst: “U heeft een aanvraag voor een vergoeding ingediend. De Raad wijst uw verzoek af omdat de toevoeging is afgewezen.”
Bereik
Werkzaamheden kunnen onder het bereik van een eerder verstrekte toevoeging vallen. De Raad verstrekt in dat geval geen afzonderlijke toevoeging. Het beleid is beschreven in de beleidsregel Bereik.
Toelichting:
Bereik: meerdere verdachten
Voldoet de zaak aan alle voorwaarden voor een toevoeging met zaakcode O013 en is rechtzoekende slachtoffer/ nabestaande in een zaak met meerdere verdachten, dan verstrekt de Raad een toevoeging per verdachte.
Bereik: meerdere slachtoffers/ nabestaanden
Zie voor het beleid bij meerdere slachtoffers of nabestaanden de beleidsregel Bereik 3.8.1.
Aparte rechtsbelangen
Rechtsbijstand aan partners en/of minderjarige slachtoffers/ nabestaanden in een strafzaak of een (aanvullende) civiele schadevordering betreft hetzelfde rechtsbelang; zij hebben gevolgen ondervonden van hetzelfde misdrijf of feitencomplex.
Dit blijft van toepassing als de (grondslagen van) de schade van elkaar verschilt, als de rechtzoekenden andere slachtofferrechten willen uitoefenen of een andere procesopstelling hebben. De hoeveelheid werkzaamheden van de advocaat is geen maatstaf; voor bewerkelijke zaken staat de optie van extra uren open.
Voor minderjarige slachtoffers/ nabestaanden verstrekt de Raad één toevoeging op naam van de wettelijk vertegenwoordiger. Deze toevoeging geldt zowel voor de minderjarige slachtoffers als de wettelijk vertegenwoordiger. De wettelijk vertegenwoordiger is procespartij namens de minderjarige. Bij een voeging of een civiele vordering zijn het onderwerp en het feitencomplex hetzelfde voor de wettelijk vertegenwoordiger en minderjarigen. Er is sprake van één rechtsbelang.
In uitzonderlijke gevallen, waarbij duidelijk sprake is van gescheiden rechtsbelangen, kunnen meerdere toevoegingen worden verstrekt. De vorderingen moet daarbij dusdanig verschillend zijn dat de rechtsbijstandsverlener werkzaamheden van een wezenlijk andere aard moet verrichten. In een dergelijk geval is niet langer sprake van hetzelfde beoogde doel en eindresultaat en een nagenoeg gelijkend feitencomplex. De advocaat moet aannemelijk maken dat sprake is van werkzaamheden van een wezenlijk andere aard. Het gegeven dat de omvang van de werkzaamheden voor de advocaat verschillend is, is daarbij geen doorslaggevend element. Zie ook de beleidsregel Bereik, Hoofdstuk 1, Omvang van de werkzaamheden.
Bereik: cassatie
Een slachtoffer of benadeelde partij kan niet zelfstandig beroep in cassatie instellen. Beroep in cassatie kan alleen worden ingesteld door de verdachte of door het OM. Beslist de Hoge Raad om de zaak inhoudelijk te behandelen, dan wordt de benadeelde partij ook in de gelegenheid gesteld om te klagen over de beslissing die het Hof heeft genomen over de schadevergoeding. De Raad verstrekt een aparte toevoeging voor cassatie als namens de rechtzoekende zo’n klacht wordt ingediend.
Wordt geen cassatie ingesteld, behandelt de Hoge Raad de zaak niet inhoudelijk of dient het slachtoffer geen klacht in, dan vallen de werkzaamheden van de advocaat onder ‘advies’ en vallen de werkzaamheden onder bereik van de toevoeging voor de eerdere aanleg.
Zie ook de beleidsregel Art. 14 Bvr Puntenaantal Hoge Raad.
Wetsgeschiedenis
28 000 VI, nr. 22
Nota over de toestand van ’s Rijks financiën
- Aangegeven is daar dat onder bepaalde voorwaarden slachtoffers in aanmerking zouden moeten kunnen komen voor gesubsidieerde rechtsbijstand zonder oplegging van een eigen bijdrage. Daarbij heeft de Minister van Justitie aangegeven dat dit alleen gerechtvaardigd is in de gevallen waarin het niet redelijk is dat het slachtoffer voor de kosten van rechtsbijstand moet opdraaien. Aangegeven is dat van een dergelijke rechtvaardiging kan worden gesproken ingeval van zeden- en geweldsmisdrijven. De gevolgen van deze misdrijven voor het slachtoffer grijpen immers veelal vergaand in in de persoonlijke levenssfeer. Met het oog op voornoemde toezegging wordt voorgesteld gratis rechtsbijstand te verlenen aan slachtoffers van zeden- en geweldsmisdrijven ongeacht het inkomen van het slachtoffer. Niet elk slachtoffer van een zeden- of geweldsmisdrijf ontvangt een toevoeging. Vereist is dat er sprake is van ernstig letsel. Voor de beoordeling van dit criterium wordt voorgesteld aan te sluiten bij de criteria die het Schadefonds geweldsmisdrijven hanteert voor het verstrekken van een uitkering aan slachtoffers.
Wet van 4 december 2003 tot wijziging van de Wet op de rechtsbijstand naar aanleiding van de evaluatie van de Wet op de rechtsbijstand alsmede aanpassing van de Wet op de rechtsbijstand aan de Algemene wet bestuursrecht
- In artikel 1, onder f, wordt voor de puntkomma ingevoegd: , alsmede degene die met het oog op de toepassing van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij zijn schade wil vorderen.
- Aan artikel 44 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 5. Ongeacht de draagkracht is rechtsbijstand aan een slachtoffer van een misdrijf tegen de zeden of een geweldsmisdrijf kosteloos, indien in de desbetreffende zaak vervolging is ingesteld en het slachtoffer overeenkomstig artikel 3 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in aanmerking komt voor een uitkering.
Staatsblad 2003, 502 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)
Relevante jurisprudentie
Uitspraak 202205342/1/A2 - Raad van State: bereik
Het gaat om ouders van een dodelijk slachtoffer van een schietpartij, voor beide ouders is een toevoeging aangevraagd.
De Afdeling heeft in deze uitspraak de beoordeling van de vraag “rechtsbelang” verduidelijkt. In ieder geval moet allereerst gekeken worden naar het doel en het beoogde eindresultaat van de rechtsbijstand en daarvoor is het feitencomplex van belang.
Voor onderhavige zaak geldt dat de Raad terecht heeft geoordeeld dat sprake is van één rechtsbelang. Beide rechtzoekenden zijn met elkaar getrouwd en daarmee is in beginsel sprake van hetzelfde rechtsbelang. Dat beide verschillend dachten over de uitoefening van het spreekrecht en recht op informatie maakt dit niet anders. De vorderingen zien gedeeltelijk op dezelfde schadeposten. Verschillen zijn niet dusdanig dat de advocaat werkzaamheden van wezenlijk andere aard heeft verricht.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet.
Uitspraak 202205346/1/A2 - Raad van State: bereik
Het gaat om ouders van een dodelijk slachtoffer van een moord, voor beide ouders is een toevoeging aangevraagd. De Raad heeft terecht geoordeeld dat sprake is van één rechtsbelang. Het gegeven dat de partners in de beginfase van het hoger beroep in de strafzaak gescheiden zijn maakt dit niet anders. Uit de stukken blijkt dat de standpunten van beiden zoveel mogelijk gezamenlijk zijn verwoord. Ten tijde van rechtsbijstandverlening waren zij dan ook partners in de zin van de beleidsregel Bereik en daarmee in beginsel sprake van één rechtsbelang. Hoewel er verschillende materiele schadeposten waren, is niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van beiden werkzaamheden van wezenlijk andere aard zijn verricht.
Uitspraak 202205347/1/A2 - Raad van State: bereik
De vader (en voormalig partner van moeder) is vermoord, voor de minderjarigen is één toevoeging aangevraagd en voor de moeder is één toevoeging aangevraagd. De Afdeling is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van één rechtsbelang. Voor de vorderingen van de moeder en minderjarigen zijn werkzaamheden van wezenlijk andere aard verricht; daardoor is geen sprake is van hetzelfde beoogde doel en eindresultaat.
Uitspraak 202205348/1/A2 - Raad van State: bereik
Twee partners. Bij roofoverval zijn de ouders van een van deze partners om het leven gebracht. Het is niet gebleken dat ten aanzien van beide partners wezenlijk andere werkzaamheden zijn verricht.