Beleidsbundel

Laagste eigen bijdrage

Trefwoorden: Aanvragen
Nummer: RvR2.3.2
Versie 4.0
Laatst gewijzigd:

Doel

De Raad beoordeelt aan de hand van deze beleidsregel in welke gevallen de laagste eigen bijdrage wordt opgelegd.

Kader

Met toepassing van artikel 4 Bebr legt de Raad bij de beoordeling van een aanvraag de laagste eigen bijdrage op voor de in dat artikel (lid 1 sub a tot en met d) genoemde categorieën.

  • De periode van het Minnelijk schuldsaneringstraject (Msnp) (art. 4 lid 1 sub d Bebr)
  • In de periode van de Wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) (art. 4 lid 1 sub c Bebr)
  • In hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 4 lid 1 sub a Bebr)
  • De periode waarin de rechtzoekende in staat van faillissement verkeert (art. 4 lid 1 sub b Bebr)

Gebruikersinstructie:

In Gras kies je eigen bijdragetype ‘L’ voor de laagste eigen bijdrage uit de reguliere tabel.

Bij personen- en familierechtzaken geldt ook de laagste reguliere eigen bijdrage bij Wsnp of faillissement (art 4 lid 1 Bebr).

Let op: deze wordt pas uitgevoerd door het systeem als je én de ‘L’ én ‘hardheidsclausule personen- en familierecht = ja’ hebt geselecteerd.

Alleenstaand: Bij het opleggen van de laagste eigen bijdrage vervang je de ‘N’ van normaalberekening door de ‘L’ van laagste eigen bijdrage.

Beleidsregel

Begunstigend beleid: Minnelijk schuldsaneringstraject (Msnp)

De Raad voert begunstigend beleid in afwijking van wat is bepaald in artikel 4 lid 1 sub d Bebr. De laagste eigen bijdrage is van toepassing op het moment dat er een besluit van de schuldhulpverlener is genomen, waarbij iemand tot de schuldhulpverlening wordt toegelaten.

Deze beschikking treedt in de plaats van de bepaling “… ondertekend door alle schuldeisers…”.

Toelichting:

Minnelijk schuldsaneringstraject (Msnp)

De Msnp is van toepassing bij een schuldbemiddeling of saneringskrediet(lening). De rechtzoekende en/of de partner dient de toepassing van de minnelijke schuldregeling aan te tonen met een (kopie) van het besluit van de schuldhulpverlener waarbij iemand tot de schuldhulpverlening wordt toegelaten. Om dit te verklaren zal rechtzoekende de eigen verklaring bij schuldsanering ingevuld en ondertekend bij de aanvraag dienen te voegen inclusief bijlagen.

Wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp)

Voor personen die zijn toegelaten tot de Wsnp geldt de laagste eigen bijdrage. Om dit te verklaren zal rechtzoekende en/of de partner de eigen verklaring bij schuldsanering ingevuld en ondertekend bij de aanvraag dienen te voegen inclusief bijlagen. Als de rechtzoekende op grond van artikel 1:431 BW onder (beschermingen)bewind is gesteld beoordeeld de Raad het inkomen en/of vermogen op de gebruikelijke wijze.

Afwijzing van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling

Voor een hoger beroep tegen een afwijzing of niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot toepassing van de Wsnp legt de Raad de laagste eigen bijdrage op. Een toelichting op de aanvraag is voldoende om dit te beoordelen.

Rechtzoekende in staat van faillissement

Voor personen die in staat van faillissement zijn verklaard geldt de laagste eigen bijdrage. De rechtzoekende en/of de partner dient het persoonlijk faillissement aan te tonen met een (kopie)van het faillissementsvonnis. Om dit te verklaren zal rechtzoekende de Eigen verklaring Faillissement ingevuld en ondertekend bij de aanvraag dienen te voegen inclusief bijlagen.

Dwangvoorziening i.h.k.v. het arrangement

Voor een dwangvoorziening (smal moratorium, dwangakkoord, voorlopige voorziening) uitgevoerd door een Wsnp-bewindvoerder die deelneemt aan het arrangement, legt de Raad de laagste eigen bijdrage op (art. 5 lid 6 Rtbw III).

Hoger beroep/Cassatie

Voor hoger beroep of cassatie legt de Raad in de volgende gevallen de laagste eigen bijdrage op (art. 4 lid 1 sub a Bebr):

  • afwijzing dwangakkoord (art. 287a Fw)
  • afwijzing voorlopige voorziening
  • afwijzing breed moratorium

Als de rechtzoekende op grond van artikel 1:431 BW onder (beschermings)bewind is gesteld beoordeelt de Raad het inkomen en/of vermogen op de gebruikelijke wijze.

Gemeenschappelijke huishouding

Als de rechtzoekende een gemeenschappelijke huishouding voert en de partner voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 4 Bebr, wordt het inkomen en/of vermogen van de partner op de gebruikelijke wijze beoordeeld. Dit betekent dat de laagste eigen bijdrage op grond van artikel 4 Bebr niet van toepassing is.

Gebruikersinstructie:

Voert rechtzoekende een gemeenschappelijke huishouding dan beoordeel je als volgt:

  • Als de aanvrager én de partner op het moment van de aanvraag beroep aantekenen tegen weigering toelating Wsnp, in de Wsnp/buitengerechtelijke schuldsanering zitten of failliet zijn, leg je de laagste eigen bijdrage op;

Als de aanvrager of de partner op het moment van de aanvraag beroep aantekent tegen weigering toelating Wsnp, in de Wsnp/buitengerechtelijke schuldsanering zit of failliet is, dan zet je het inkomen van die persoon op nul (0) en de status van zijn inkomen op 'handmatig' (H). Het inkomen van de ander neem je volledig mee in de beoordeling.

Wetsgeschiedenis

Artikel 4 Bebr

In dit artikel wordt geregeld in welke gevallen een rechtzoekende voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging, niet zijnde eenvoudig rechtskundig advies, in afwijking van artikel 2, eerste en tweede lid, telkens de laagst mogelijke eigen bijdrage is verschuldigd. De inhoud van dit artikel komt overeen met die van het voormalige artikel 11b van het Bdr.
(Staatsblad 2009, 46)

Artikel 11b Bdr (vervallen)

In de praktijk is gebleken dat de vaststelling van de draagkracht in het inkomen van de rechtzoekende ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard niet altijd leidt tot toepassing van de laagste eigen bijdrage. De reden hiervan is dat het maandinkomen alleen de uitgaven in mindering worden gebracht die een duurzaam karakter hebben. Met de incidentele schulden wordt geen rekening gehouden. Het gevolg kan zijn dat de rechtzoekende op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, en die om andere reden een beroep doet op de gesubsidieerde rechtsbijstand meer dan de laagste eigen bijdrage zou moeten betalen. Daarmee wordt geen bijdrage geleverd aan de uitvoering van de schuldsanering. In artikel 11a van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand wordt daarom bepaald dat degenen op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, de laagste eigen bijdrage betalen, indien zij voor een andere zaak dan de schuldsaneringsregeling rechtsbijstand behoeven. Eenzelfde regeling is getroffen ingeval de rechtzoekende in staat van faillissement is.

Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen bij degene die geen beroep heeft gedaan op de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar die wel een minnelijke regeling met de schuldeisers heeft getroffen die vergelijkbaar is met de wettelijke schuldsanering.

Daarbij gaat het niet alleen om gevallen waarin voorafgaand aan het wettelijk traject de minnelijke weg wordt gevolgd, maar ook om buiten dit kader getroffen minnelijke regelingen. Het zou niet stroken met de doelstellingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling, indien het minnelijke trajecten niet zou worden gestimuleerd. Om die reden is in het tweede lid, onder d, van artikel 11a van het Besluit draagkrachtcriteria rechtsbijstand bepaald dat de laagste eigen bijdrage wordt betaald, indien een rechtzoekende rechtsbijstand behoeft in de periode waarin hij zijn schulden aflost in het kader van een minnelijk saneringstraject. Met het oog op de aansluiting bij de wettelijke schuldsanering komt de rechtzoekende alleen dan voor de laagste eigen bijdrage in aanmerking, indien het traject waarin de rechtzoekende zich bevindt vergelijkbaar is met die wettelijke regeling. Daarom zijn de volgende vereisten gesteld. Vereist wordt dat het minnelijk traject schriftelijk is vastgelegd en door alle schuldeisers en de schuldenaar is ondertekend. Voorts heeft het schriftelijk akkoord betrekking op alle schulden van de rechtzoekende. Evenals bij de wettelijke schuldsanering (artikel 285, tweede lid, onder a, van de Faillissementswet) wordt een beschrijving van het saneringsplan vereist. In navolging van de uitvoering van artikel 295 van de Faillissementswet moet het vrij te laten bedrag berekend zijn overeenkomstig de rekenmethode die de rechter commissarissen in faillissementszaken hanteren. Indien het minnelijk traject wordt begeleid door een organisatie moet op dezelfde wijze als is bepaald in artikel 318 van de Faillissementswet, elk half jaar een verslag worden uitgebracht over de uitvoering van het minnelijk traject. De duur van het minnelijk traject wordt overeenkomstig artikel 343, eerste lid, van de Faillissementswet gesteld op maximaal drie jaar.

Indien het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling door de rechter wordt afgewezen kan de schuldenaar daartegen hoger beroep bij het gerechtshof instellen. Voor deze procedure is verplichte procesvertegenwoordiging voorgeschreven. Alhoewel door de afwijzing van het verzoek niet vaststaat dat de schuldenaar in de laagste inkomenscategorie van artikel 35 van de Wet op de rechtsbijstand valt, is het wel aannemelijk dat de draagkracht van de schuldenaar gering is. Om geen drempel voor het instellen van het hoger beroep op te werpen, is in artikel 11b, onder a, bepaald dat de eigen bijdrage van degene die hoger beroep instelt gelijk is aan het bedrag dat de laagste inkomenscategorie zou moeten betalen.
(Staatsblad 2004, 167)

Op deze pagina