Beleidsbundel

Inleiding: wettelijk kader en beleidsregels

Doel

Deze inleiding geeft het wettelijk kader weer waarin de Raad voor Rechtsbijstand zijn bevoegdheden uitoefent en beleidsregels vaststelt.

Toelichting

De Grondwet en internationale verdragen

Het recht op rechtsbijstand is een grondrecht, verankerd in artikel 18 van de Grondwet. Dit artikel bepaalt dat eenieder zich in rechte en in administratief beroep kan laten bijstaan, en verplicht de wetgever regels te stellen voor het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen. De Wet op de rechtsbijstand (Wrb) vormt de wettelijke uitwerking van deze opdracht.

Daarnaast is het recht op rechtsbijstand verankerd in internationale en Europese verdragen. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) verplicht staten om, waar nodig, rechtsbijstand te verlenen ter waarborging van een eerlijk proces. Ook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) bevatten waarborgen voor rechtsbijstand, met name voor personen die niet over toereikende financiële middelen beschikken. Deze normen onderstrepen dat effectieve toegang tot de rechter mede afhankelijk kan zijn van de beschikbaarheid van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand op grond van de Wrb geeft uitvoering aan deze verplichtingen.

Wrb en algemene maatregelen van bestuur

De Wet op de rechtsbijstand wordt nader uitgewerkt in een aantal algemene maatregelen van bestuur:

Deze besluiten vormen samen met de Wrb het juridisch kader waarbinnen de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) zijn taken uitvoert.

Bevoegdheid van de Raad voor Rechtsbijstand

De RvR is op grond van artikel 2 Wrb ingesteld als zelfstandig bestuursorgaan en belast met de uitvoering van de Wrb. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden handelt de RvR overeenkomstig de Awb, met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De RvR past deze regelgeving toe met inachtneming van de onderhavige beleidsregels.

Juridische grondslag beleidsregels

De RvR stelt beleidsregels (zoals gedefinieerd in art. 1:3 Awb) vast op basis van artikel 4:81 Awb. Deze beleidsregels, te vinden op deze Beleidswijzer, leggen vast hoe de RvR zijn bevoegdheden op grond van Wrb en onderliggende besluiten uitoefent. Zij beogen een consistente en transparante uitoefening van deze bevoegdheden. De beleidsregels vormen geen zelfstandige bron van rechten of plichten voor burgers. Bij de toepassing van deze beleidsregels weegt de RvR de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen af met inachtneming van artikel 3:4 van de Awb. Besluiten berusten op een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering (art. 3:46 Awb).

Afwijking van beleidsregels en onvoorziene gevallen

Overeenkomstig artikel 4:84 Awb handelt de RvR in beginsel overeenkomstig deze beleidsregels. Indien toepassing van een beleidsregel in een concreet geval wegens bijzondere omstandigheden leidt tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, kan de RvR (overeenkomstig 4:84 Awb) gemotiveerd van die beleidsregel afwijken. Een besluit waarin van een beleidsregel wordt afgeweken, vermeldt uitdrukkelijk de redenen voor die afwijking.

Op deze pagina