Beleidsbundel
Berekening financiële positie onderneming
Doel
De Raad berekent aan de hand van deze beleidsregel de financiële positie van een zelfstandig beroep of bedrijf c.q. rechtspersoon. De berekening wordt gebruikt bij het beoordelen van bedrijfsmatige aanvragen en voor aanvragen op naam van rechtspersonen (niet bedrijfsmatig).
Kader
Met toepassing van artikel 12, tweede lid, sub e van de Wrb weigert de Raad een aanvraag als “het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft”, tenzij er sprake is van een of meer in de wet genoemde uitzonderingsgronden.
Met toepassing van artikel 36 van de Wrb kan de Raad aan rechtspersonen een toevoeging verstrekken indien van de rechtspersoon redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat deze de kosten van rechtsbijstand betaalt uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid.
Beleidsregel
De Raad beoordeelt mede aan de hand van de jaarcijfers of de rechtspersoon/onderneming de kosten voor rechtsbijstand zelf kan dragen.
Toelichting: De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van het resultaat en het eigen vermogen. beleidsregel Rechtspersonen en beleidsregel Bedrijfsmatig, beoordeling financiële positie onderneming.
Rechtspersonen zijn: verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen, naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen en stichtingen (art. 2:3 BW).
De Raad beoordeelt de bedrijfseconomische grondslagen en niet de fiscale. Voor de rechtspersoon volgt dit uit artikel 36 Wrb.
1. Eigen vermogen
De Raad berekent het eigen vermogen op basis van de balans van de onderneming.
Toelichting:
De balans geeft de vermogenspositie van de onderneming weer: het totaal van geld, goederen, rechten, vorderingen, schulden en andere verplichtingen van de onderneming. Het eigen vermogen is het verschil tussen de bezittingen en de schulden.
Bezittingen zijn:
- liquide middelen, onroerend goed of onmisbare bedrijfsmiddelen
- reserves/voorzieningen; is onderdeel van het eigen vermogen
- stille reserves (bijvoorbeeld onroerende zaken, emissierechten, melkquota)
| Activa (bezittingen) | Passiva (schulden) |
|---|---|
| Vaste activa: | EIGEN VERMOGEN (= alle bezittingen minus alle schulden) |
|
Incl. voorzieningen / reserveringen |
|
|
|
Vreemd vermogen: |
|
langlopende schulden |
|
|
|
|
| Vlottende activa: | |
|
kortlopende schulden |
|
|
|
|
|
1.1 Bedrijfseconomische waardering van de activa
1.1.1 Materiele Vaste activa: onroerende zaken (gebouwen, grond)
De waarde van de materiele vaste activa (gebouwen, grond) op de balans is een fiscale waarde en is meestal te laag.
Dat komt doordat er vanaf de aankoop van de onroerende zaak op wordt afgeschreven, dat wil zeggen de waarde op de balans daalt, terwijl de waarde van onroerende zaken in werkelijkheid meestal stijgt.
De Raad gaat uit van de economische waarde van de onroerende zaak. Dit wordt bepaald aan de hand van een actuele taxatie of de toelichting op de balans waarin de aanschafwaarde wordt genoemd. Zijn deze gegevens niet voorhanden dan kan de Raad uitgaan van de WOZ-waarde. Het verschil tussen de boekwaarde en de economische waarde is de stille reserve.
Voorbeeld stille reserve onroerende zaak:
Een pand staat op de balans voor € 60.000. Uit de toelichting op de balans blijkt dat het pand is gekocht voor € 150.000. Er is dan een "stille reserve" van € 90.000. De Raad verhoogt het eigen vermogen daardoor met € 90.000.
1.1.2 Materiele vaste activa
Roerende zaken dalen in waarde door gebruik. De Raad houdt daarom rekening met de afschrijving en gaat uit van de waarde zoals deze op de balans staat. Bijvoorbeeld: inventaris, auto.
1.1.3 Immateriële vaste activa
De Raad gaat uit van de economische waarde van de immateriële vaste activa op de balans en corrigeert de waarde met eventuele stille reserve. Bijvoorbeeld: Melkquota, emissierechten, goodwill.
Voorbeeld goodwill
Bij de overname van een bedrijf wordt, boven op de werkelijke waarde van het bedrijf, soms ook een bedrag voor de “goede naam” betaald: goodwill. In de regel stijgt goodwill in waarde of blijft deze op peil. De Raad houdt daarom geen rekening met afschrijvingen op goodwill.
Voorbeeld correctie afschrijving goodwill
Goodwill oorspronkelijk bedrag € 25.000. Huidige balanswaarde € 15.000. De Raad verhoogt het eigen vermogen met € 10.000, dit is het verschil tussen de balanswaarde en de oorspronkelijke waarde.
1.1.4 Privé-opname
Privé-opnames beïnvloeden het eigen vermogen in negatieve zin. Is het totaal van de privé-opnames hoger dan het voor rechtzoekende geldende wettelijk minimumloon, dan telt de Raad het meerdere op bij het eigen vermogen.
1.1.5 Vlottende activa
Uitgangspunt is dat de Raad vlottende activa, zoals liquide middelen, voorraden en debiteuren, niet corrigeert.
Uitzondering: Dubieuze debiteuren, waarbij niet alle vorderingen inbaar zullen zijn. Als er op de balans een voorziening is getroffen voor dubieuze debiteuren, dan houdt de Raad rekening met deze voorziening tot een maximum van 10% van het totaal bedrag aan debiteuren.
1.2 Bedrijfseconomische waardering van de passiva
1.2.1 Eigen vermogen
De Raad gaat uit van de boekwaarde van het eigen vermogen, zoals deze uit de jaarrekening blijkt.
1.2.2 Reserves en Voorzieningen
Reserves en voorzieningen op de balans telt de Raad op bij het eigen vermogen. Bijvoorbeeld ‘voorziening assurantie eigen risico’, vervangingsreserve of pensioenvoorziening. Zie ook de stille reserves onder 1.1.1
2. RESULTAAT: Winst/VERLIES
De Raad berekent de winst c.q. het resultaat van de onderneming op basis van de Verlies- en winstrekening c.q. de Resultatenrekening.
Toelichting: Het inkomen bestaat uit het netto resultaat, wat kan zijn winst of verlies. In het algemeen ziet de Verlies- en winstrekening c.q. Resultatenrekening er zo uit:
Omzet
-/- Kosten omzet
Bruto resultaat
-/- Overige kosten
Netto resultaat (= Bruto inkomen)
Correcties Wrb:
+ afschrijving goodwill
+ afschrijving onroerende zaken
2.1 Netto resultaat (winst)
Bruto resultaat minus kosten levert netto resultaat op, dit is vergelijkbaar met het bruto inkomen voor werknemers.
Voor de fiscus komen afschrijvingen op goodwill en onroerende zaken in mindering op het bruto resultaat. Hier is niet daadwerkelijk sprake van waardevermindering, daarom telt de Raad deze ‘kosten’ alsnog bij het netto resultaat op.
2.2. Verlies
Is er sprake van verlies dan stelt de Raad het resultaat op € 0.