Beleidsbundel
Zwaarwegende omstandigheden bij invordering
Doel
De Raad beoordeelt aan de hand van deze beleidsregel of er zwaarwegende omstandigheden van toepassing zijn bij de invordering van de kosten van rechtsbijstand door de Raad.
Kader
Met toepassing van artikel 34f lid 2 Wrb kan de Raad op grond van zwaarwegende omstandigheden besluiten het door rechtzoekende aan de Raad verschuldigde bedrag niet in te vorderen.
Beleidsregel
Zwaarwegende omstandigheden
De Raad beoordeelt dat onder meer in de volgende situaties sprake kan zijn van zwaarwegende omstandigheden die zich verzetten tegen invorderen, namelijk als:
- De vordering (gedeeltelijk) oninbaar is, niet binnen afzienbare tijd inbaar is of niet kan worden voldaan op grond van langdurige betalingsonmacht, kan dit worden gezien als een zwaarwegende omstandigheid. Rechtzoekende moet van deze omstandigheden een bewijsstuk bij de Raad indienen.
- Blijkt dat de vordering is gebaseerd op een kennelijke misslag in de financiële beoordeling van de toevoegingsaanvraag dan vervalt de vordering. Rechtzoekende moet eventueel daarvan een bewijsstuk indienen. Denk hierbij aan de gevallen zoals aangegeven in de artikelen 4 en 6 Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand (Bebr).
- De rechtzoekende op het moment van de terugvordering aantoonbaar via een besluit of uitspraak is opgenomen in de Wsnp of Msnp. De Raad ziet af van de vordering.
- De rechtzoekende als gevolg van langdurige detentie niet in staat is om de vordering van de Raad te voldoen vanuit zijn inkomen en/of vermogen, kan de Raad besluiten om geheel of gedeeltelijk van zijn vordering af te zien.
- De rechtzoekende een proceskostenvergoeding heeft ontvangen in de procedure waarvoor de betreffende toevoeging is verleend, ziet de Raad af van zijn vordering.
- De rechtzoekende is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging in de strafzaak waarvoor de betreffende toevoeging is verleend, of als deze strafzaak onvoorwaardelijk is geseponeerd, ziet de Raad af van zijn vordering.
Draagkracht
Als er geen zwaarwegend omstandigheden van toepassing zijn dan kan de Raad bij de invordering rekening houden met de draagkracht van het inkomen en vermogen van rechtzoekende door het treffen van een betalingsregeling of bij het ontbreken van draagkracht kan een verzoek tot kwijtschelding ingediend worden.
Toelichting:
Rechtzoekende kan een verzoek om kwijtschelding indienen. De Raad sluit voor het beoordelen van de kwijtschelding aan bij het vrij te laten bedrag (vltb) . Dit is het minimumbedrag dat iemand met schulden overhoudt om van te leven.
Via het formulier kwijtschelding (pdf, 175 kB) kan rechtzoekende de benodigde gegevens opgeven over zijn inkomen en vermogen. De Raad gebruikt de vltb-calculator om te beoordelen of rechtzoekende boven het minimumbedrag nog draagkracht heeft om het verschuldigde bedrag te betalen. Bij de beoordeling wordt ook gekeken naar het vermogen. Als er vermogen is boven het vrij te laten bedrag waarmee rechtzoekende de het verschuldigde bedrag kan voldoen dan zal de kwijtschelding worden afgewezen. Als er geen draagkracht of vermogen is, dan verleend de Raad kwijtschelding.
Gebruikersinstructie:
Is het vermogen hoger dan de vordering van de Raad, dan wijs je het verzoek af met de volgende tekst: "U heeft een aanvraag ingediend om kwijtschelding. De Raad wijst uw aanvraag af, omdat u voldoende vermogen heeft om de vordering te voldoen".
Als het inkomen boven het vrij te laten bedrag ligt, dan wijs je het verzoek af met de volgende tekst: "U heeft een verzoek ingediend om kwijtschelding. De Raad wijst uw verzoek af, omdat u en uw eventuele partner over inkomen beschikt waarmee u de vordering (in termijnen) kan voldoen."
Je beoordeelt of de aanvrager in aanmerking komt voor een betalingsregeling, zie draagkracht.
Kwijtschelding
De Raad kan kwijtschelding verlenen als, de draagkracht gelijk is aan of lager dan het vrij te laten bedrag en er sprake is van onvoldoende vermogen.
Toelichting:
Afhankelijk van de draagkracht kan de Raad met rechtzoekende een betalingsregeling treffen. Het bedrag dat rechtzoekende verschuldigd is kan in maximaal 36 termijnen worden voldaan.
Wetsgeschiedenis
Artikel 34f Wrb
Op de reikwijdte van artikel 34f is gedeeltelijk in de toelichting bij artikel 34d ingegaan. In het eerste lid is bepaald dat de raad de kosten die naar achteraf blijkt ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand kan verhalen op de rechtzoekende. Een dergelijke situatie zal zich voordoen als in het kader van een positieve beslissing op de aanvraag om peiljaarverlegging bij de controle van de draagkrachtgegevens blijkt dat de rechtzoekende geen recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand. Zoals hierboven is aangegeven wordt met deze regeling voorkomen dat de rechtsbijstandverlener wordt belast met de administratieve gevolgen van het systeem van peiljaarverlegging.
In het tweede en volgende leden wordt geregeld dat de raad een dwangbevel kan uitvaardigen, indien de rechtzoekende weigert om aan de raad de ten onrechte betaalde vergoedingen door de raad te betalen. De raad kan dan zonder tussenkomst van de rechter overgaan tot effectuering van de betaling van de kosten van rechtsbijstand. Voordat een dwangbevel wordt uitgevaardigd maant de raad de rechtzoekende eerst schriftelijk aan om het verschuldigde bedrag te betalen.
In het achtste lid is de mogelijkheid van verzet tegen het dwangbevel neergelegd. Daartoe heeft de rechtzoekende vier weken de tijd.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 685, nr.3 p. 22)
Kwijtschelding artikel 4:94 Awb
De afgelopen jaren zijn er diverse onderzoeken gedaan naar en rapporten verschenen over de positie van mensen met geldschulden (bijv. «In het krijt bij de overheid» van de Nationale ombudsman in 2013 en «Weten is nog geen doen», van de WRR in 2017). Gebleken is dat de huidige manier waarop de overheid, en het recht in het algemeen, omgaat met mensen die hun schulden niet betalen, grote nadelen heeft voor de schuldenaar, maar ook voor de overheid zelf en de samenleving in het algemeen. De schuldenproblematiek is een urgent maatschappelijk probleem geworden en de omvang van de problematiek is zo groot dat het onmogelijk lijkt om alles van uit één punt te coördineren of sturen. Bijna alle overheden zijn erbij betrokken en het raakt wetgeving op veel terreinen en de rechtspraak. In verband hiermee is in het regeerakkoord vastgelegd dat door de overheid veroorzaakte schuldenproblematiek moet worden aangepakt. In verband hiermee is een nieuwe benadering voor de oplossing van de schuldenproblematiek ontwikkeld vanuit het gezichtspunt van de responsieve overheid en onderbouwd met de kennis die is aangedragen door de WRR, de Nationale ombudsman en anderen. Op grond hiervan heeft de overheid als schuldeiser de verantwoordelijkheid om het doenvermogen van de burger niet te overschatten en te voorkomen dat door haar optreden als schuldeiser niet nog grotere problemen ontstaan.
Hiermee wordt overigens niet alleen gedoeld op problemen die optreden aan de zijde van de burger, maar ook op problemen die zouden kunnen rijzen aan de zijde van de overheid zelf. Wanneer een burger door het overheidsoptredenextra in de problemen komt, brengt dit voor de overheid vaak meer kosten met zich mee, zoals schuldsanering, huisvesting na huisuitzetting en sociale problemen door stress (sociaal isolement van een gezin, met ook negatieve gevolgen voor kinderen).
In de kamerbrief «Brede schuldenaanpak» van 22 mei 2018 is daartoe een groot aantal maatregelen, waaronder ook enkele wetswijzigingen, aangekondigd.10 Een van de aangekondigde maatregelen is de mogelijkheid van een kwijtscheldingsbepaling in de Algemene wet bestuursrecht.11 Bij de totstandkoming van titel 4.4 Awb is afgezien van een algemene kwijtscheldingsregeling. Naar de heersende opvatting van toen leende een regeling met betrekking tot kwijtschelding zich niet voor een algemene regeling in de Awb en kon een dergelijke regeling beter worden gereserveerd voor een bijzonder rechtsgebied, zoals de Invorderingswet 1990.12
Er is nu, gelet op de hiervoor geschetste ontwikkelingen, voor gekozen om – bij gelegenheid van het nader rapport – de geldschuldentitel in de Awb aan te vullen met een bevoegdheid voor bestuursorganen om in gevallen waarin de nadelige gevolgen van de invordering onevenredig zijn in verhouding tot de met de invordering te dienen doelen, tot kwijtschelding van een bestuurlijke geldschuld over te gaan. Hiermee wordt tevens gevolg gegeven aan het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, die er, in het verlengde van het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, op wees dat dit reeds in het evaluatierapport genoemde knelpunt in de aan haar voorgelegde versie van het wetsvoorstel geen aandacht kreeg.
Uitgangspunt, dat reeds sinds de introductie van de geldschuldentitel in de Awb geldt blijft dat schulden dienen te worden betaald. Bestuursorganen zullen zodoende slechts in uitzonderlijke gevallen tot kwijtschelding op grond van deze bepaling over gaan. Dit geldt te meer omdat de bestaande bevoegdheden tot kwijtschelding in andere wettelijke regelingen in stand blijven. Het voorgestelde artikel is alleen aan de orde als niet al op grond van een ander wettelijk voorschrift een bevoegdheid tot kwijtschelding voor een bestuursorgaan bestaat.
(2019-2020 35477 nr. 3)