Beleidsbundel
Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing
Doel
Deze beleidsregel bevat het beleid over aanvragen van een toevoeging voor ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en overige geschillen met de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK)/ Gecertificeerde Instelling (GI).
Kader
De aanvraag dient op alle inhoudelijke en financiële gronden beoordeeld te worden zoals genoemd in de beleidsregels financiële beoordeling aanvraag toevoeging (hoofdstuk 2) en inhoudelijke beoordeling aanvraag toevoeging (hoofdstuk 3).
Specialisatie
Voor deze zaken geldt het specialisatievereiste voor personen-en familierecht of civiel jeugdrecht.
Voor uitzonderingen zie beleidsregel 3.3 Specialisatie advocaat/niet ingeschreven advocaat met bijlage.
Gebruikersinstructie: Als de rechtsbijstandverlener niet als personen-en familierechtspecialist is ingeschreven wijs je de aanvraag af met tekstcode 182.
Beleidsregel
De Raad verstrekt een toevoeging voor een geschil over:
- Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing;
- Omgang en gezag waarbij een instantie als de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) of een gecertificeerde instelling (GI) de procespartij is;
- Schriftelijke aanwijzing Jeugdbescherming.
Toelichting: Gelet op de betrokken belangen van zowel kind(eren) als ouder(s).
De Raad verstrekt een toevoeging voor de behandeling van een verzoek of verlenging OTS en/of UHP. Voor hoger beroep tegen een beslissing OST/UHP wordt ook een toevoeging gegeven. De toevoeging geldt voor alle advieswerkzaamheden en de eerst te voeren procedure. Als het verzoek OTS en UHP in één procedure wordt behandeld, wordt slechts één toevoeging verstrekt. Deze toevoeging omvat dan de behandeling van beide belangen (ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing).
Een geschil over een schriftelijke aanwijzing is een zelfstandig rechtsbelang ten opzichte van de OTS/UHP. Bijvoorbeeld aanwijzing over de omgang. Als er sprake is van samenloop met andere geschillen over de omgang, verzorging en opvoeding van het kind, dan toetst de Raad op bereik.
Beschermingstafel
De Raad kan een lichte adviestoevoeging (LAT) verstrekken als rechtzoekende wordt uitgenodigd voor een gesprek bij de jeugdbeschermingstafel.
Toelichting: De uitkomst van de beschermingstafel kan leiden tot het instellen van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en daarom is het van belang dat de rechtzoekende zich kan laten bijstaan door een vertrouwenspersoon, zo nodig een advocaat.
Oproeping informant (nee, tenzij)
De Raad verstrekt geen toevoeging als rechtzoekende als informant wordt gehoord en geen procespartij is in UHP/OTS. De Raad maakt hierop een uitzondering wanneer een informant alsnog door de rechtbank als belanghebbende wordt aangemerkt of wanneer sprake is van feitelijke of juridische ingewikkeldheid of zwaarwegende omstandigheden.
De aanvrager zal moeten motiveren dat hiervan sprake is. Zie daarvoor ook beleidsregel 3.7 onder ‘eenvoudige’ zaken. De Raad beoordeelt dan van geval tot geval of hiervan sprake is.
Bijvoorbeeld als de rechter meent dat de afgesproken omgangsregeling in gevaar kan komen.
Gebruikersinstructie: Een aanvraag om toevoeging voor oproeping informant wijs je af met tekstcode 130 (zelfredzaamheid).
Reactie op verzoek gemeente tot onderzoek Raad voor de Kinderbescherming (nee, tenzij)
De gemeente kan de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken om een onderzoek in te stellen. Daarbij kan rechtzoekende voorafgaand aan het indienen van dit verzoek in de gelegenheid worden gesteld om hierop te reageren. De Raad verstrekt hiervoor geen toevoeging. De Raad maakt hierop een uitzondering wanneer sprake is van feitelijke of juridische ingewikkeldheid of zwaarwegende omstandigheden.
De aanvrager moet motiveren dat sprake is van een uitzonderingssituatie. Zie daarvoor ook beleidsregel 3.7 onder ‘Maatwerk’. De Raad beoordeelt dan van geval tot geval of hiervan sprake is.
Gebruikersinstructie: Een aanvraag om toevoeging voor het indienen van een reactie op het verzoek van de gemeente tot onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wijs je af met tekstcode 130 (zelfredzaamheid).
Minderjarige plaatsing in gesloten instelling
Als een minderjarige in een gesloten instelling van Jeugdzorg moet worden geplaatst wordt een toevoeging op last verstrekt met zaakcode P042 (art. 6.1.10 lid 4 Jeugdwet).
Omzetting voorwaardelijke machtiging
Als een in eerste instantie voorwaardelijke machtiging wordt omgezet in een onvoorwaardelijke machtiging omdat de minderjarige de voorwaarden niet naleeft (art. 6.1.6 Jeugdwet), dan kan daartegen beroep worden ingesteld. Het beroep wordt behandeld bij dezelfde instantie.
Minderjarige verlenging plaatsing in gesloten instelling
Als de plaatsing in een gesloten instelling van Jeugdzorg wordt verlengd wordt eveneens een toevoeging op last verstrekt met zaakcode P042.
Gebruikersinstructie: Een aanvraag om toevoeging in deze fase wijs je af met de volgende tekst:
“De Raad is niet bevoegd om op uw aanvraag om toevoeging te beslissen. U kunt de rechtbank verzoeken om een last tot toevoeging af te geven. (art. 1:261 lid 3 BW)”
Bij hoger beroep verlenging plaatsing in gesloten instelling is een last tot toevoeging niet wettelijk geregeld. Dit betekent dat de Raad exclusief bevoegd is. De eigen bijdrage bij de af te geven toevoeging stel je op nihil (art. 6 Bebr). We zien in deze gevallen af van een eigen verklaring.
Zie ook het Handboek Ambtshalve Toevoeging/Aanwijzing onder paragraaf 7.2.
Andere relevante beleidsregels
Pilot Kosteloze rechtsbijstand bij gezagsbeëindiging (GBM) P044
Zie beleidsregel Bijzondere regelingen, Pilot Kosteloze rechtsbijstand ouders bij gezagsbeëindiging (GBM).
Overname P042-toevoeging
Zie beleidsregel Mutatie van de toevoeging i.v.m. opvolging.
Klacht gezinsvoogd
Zie beleidsregel B060 klachten overheidshandelen.
Eigen bijdrage
De andere eigen bijdrage (art. 2a Bebr) geldt niet voor zaken die onder de zaakcode P043 vallen.
Bereik
Werkzaamheden kunnen onder het bereik van een eerder verstrekte toevoeging vallen. De Raad verstrekt in dat geval geen afzonderlijke toevoeging. Het beleid is beschreven in de beleidsregel Bereik.
Toelichting: Voorbeelden bereik/geen bereik
- Hetzelfde rechtsbelang, geen diversiteit van procedures: Ouder voert verweer tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling en tegen het gelijktijdig ontvangen verzoek tot uithuisplaatsing, hier is sprake van hetzelfde rechtsbelang. Zie paragraaf 1.2 en 1.4
- Meerdere kinderen, hetzelfde rechtsbelang: Ouder voert verweer tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van meerdere minderjarigen. Hier is sprake van één rechtsbelang: het gezinsleven en de eventuele verblijfplaats. Zie paragraaf 1.2.1 en 3.3.
- Meerdere kinderen, ander rechtsbelang: De kinderen zijn ondergebracht bij diverse instellingen/gastgezinnen. De ouder wil verweer voeren tegen de verlenging van de UHP. In dat geval kan er sprake zijn van diverse van elkaar verschillende verweren, zodat per kind een afzonderlijke toevoeging verstrekt kan worden voor advies c.q. procedure. Zie paragraaf 1.2.1 en 3.3.
- Ouders en kind, hetzelfde rechtsbelang: Ouder(s) en de betreffende minderjarige (van 12 jaar of ouder) voeren verweer tegen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Ze hebben dezelfde advocaat. Hier is sprake van één rechtsbelang. Zie paragraaf 1.2.1
- Verlenging OTS, diversiteit van procedures: Ouder voert verweer tegen verlenging van de OTS. Dit wordt bij afzonderlijk verzoekschrift ingediend en krijgt een nieuw zaaknummer. Hier is sprake van hetzelfde rechtsbelang, wel diversiteit van procedures. Zie paragraaf 1.2 en 1.4
- Spoed UHP/voorlopige OTS (VOTS), hetzelfde rechtsbelang: Ouder voert verweer tegen de spoed UHP/VOTS. Deze zitting vindt plaats binnen twee weken. Vervolgens wordt de ‘gewone’ UHP/OTS procedure voortgezet. Deze wordt vóór afloop van de drie maanden termijn van de spoed UHP/VOTS weer op een zitting bij de rechtbank behandeld. Hier is sprake van hetzelfde rechtsbelang, geen diversiteit van procedures. Zie paragraaf 1.2 en 1.4
- Tussenbeslissing uitvoerbaar bij voorraad, zelfde rechtsbelang: De rechter beslist dat de OTS en/of UHP voor een bepaalde periode wordt uitgesproken en dat de zaak wordt aangehouden en daarna weer op zitting komt. De rechter bepaalt dat de tussenbeslissing tot OTS en/of UHP uitvoerbaar bij voorraad is, dat wil zeggen dat de beschikking ten uitvoer kan worden gelegd ongeacht of een rechtsmiddel is ingesteld tegen de beschikking. Dit is voor de beoordeling of sprake is van een zelfstandige zaak niet relevant. Er is sprake van hetzelfde rechtsbelang, geen diversiteit van procedures. Zie paragraaf 1.2 en 1.4
Voor bovengenoemde onderwerpen verstrekt de Raad geen aparte toevoegingen.