Beleidsbundel
Norm gezinssamenstelling
Doel
De Raad beoordeelt aan de hand van het wettelijk kader en deze beleidsregel wanneer iemand alleenstaand is of wanneer iemand een gemeenschappelijke huishouding voert (de zogenoemde norm huishouding). Voor beide gelden op basis van artikel 34 lid 1 Wrb andere inkomensgrenzen om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand.
Kader
Alleenstaand of gemeenschappelijke huishouding
Uit artikel 34 lid 1 Wrb volgt dat bij de vaststelling of een rechtzoekende op basis van zijn inkomen en vermogen in aanmerking komt voor rechtsbijstand bepalend is of deze (op het moment van de aanvraag) alleenstaand is of met één of meer personen een gemeenschappelijke huishouding voert.
Uit artikel 34 lid 3 Wrb volgt dat naast het inkomen en vermogen van de rechtzoekende, het inkomen en vermogen in aanmerking wordt genomen van:
- “De echtgenoot of geregistreerde partner van de rechtzoekende, tenzij deze op het moment van de aanvraag duurzaam van hem gescheiden leeft” (onder a)
- “De persoon van verschillend of gelijk geslacht met wie de rechtzoekende duurzaam een gezamenlijke huishouding voert, tenzij tussen deze en de rechtzoekende op het moment van de aanvraag een bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat” (onder b).
Bovenstaande (onder a en b) is van toepassing “behoudens het geval van onderling tegenstrijdige belangen”.
BRP-gegevens opvragen
Met het oog op het vaststellen van de financiële draagkracht en van de hoogte van de eigen bijdrage van de rechtzoekende worden op verzoek van de Raad uit de basisregistratie personen (BRP) inlichtingen verstrekt over de rechtzoekende en degenen met wie de rechtzoekende een gezamenlijke huishouding voert (art. 25 lid 5 Wrb).
Beleidsregel
Alleenstaande
De alleenstaande norm is van toepassing als rechtzoekende geen partner, huisgenoot en/of minderjarig kind(eren) heeft waarmee deze een duurzaam gezamenlijke huishouding voert.
Gebruikersinstructie:
A-norm (alleenstaande)
Meldt het BRP wel een partner dan check je of deze partner op het historisch overzicht voorkomt als wederpartij. Als dit zo is negeer je de melding. Als dit niet zo is maak je de aanvraag onvolledig en stel je de volgende vraag: “Uit gegevens van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat uw cliënt mogelijk samenwoont met een partner. Graag ontvangt de Raad een toelichting of dit juist is. Indien van toepassing ontvangen wij graag het Burgerservicenummer, de naam en de geboortedatum van de partner.”
Als op de aanvraag is ingevuld dat er geen sprake is van samenwoning met minderjarige kinderen, maar de BRP vermeldt deze wel, dan mag je er van uit gaan dat de gegevens op de aanvraag kloppen.
Een meerderjarig kind dat samenwoont met de ouders wordt beschouwd als een alleenstaande.
Alleenstaande ouder
De Raad stelt een alleenstaande ouder met één of meer inwonende kinderen jonger dan 18 jaar, gelijk met een gemeenschappelijke huishouding.
Gebruikersinstructie:
O-norm (alleenstaande ouder)
Als op de aanvraag is ingevuld dat er sprake is van samenwoning met minderjarige kinderen, maar de BRP vermeldt deze niet, dan pas je de alleenstaandennorm toe. Dit licht je toe in de bijlage met de tekst:
“In de aanvraag is aangegeven dat rechtzoekende samenwoont met minderjarige kinderen. Dit blijkt niet uit de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie. Daarom is de alleenstaandennorm toegepast.”
Gemeenschappelijke huishouding
Uit de wet volgt dat dat sprake is van gemeenschappelijke huishouding als rechtzoekende gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft.
Gebruikersinstructie:
G-norm (gezamenlijke huishouding)
De inkomensgegevens van deze partner/huisgenoot tellen mee voor de beoordeling, dus je hebt van de partner/huisgenoot ook het Burgerservicenummer, naam en geboortedatum nodig om het berichtenverkeer met de BRP en de Belastingdienst op te starten.
De Raad beoordeelt dat van een ‘duurzame gezamenlijke huishouding’ is sprake als:
- De partner of huisgenoot:
- Van plan zijn langdurig samen te wonen;
- Samen financieel bijdragen aan de huishouding,
- Gebruikmaken van elkaars eigendommen, en
- Elkaar helpen in de huishouding (bijvoorbeeld boodschappen doen, koken, wassen).
Dit zijn indicaties die een rol spelen bij de beoordeling of er sprake is van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding. Er kunnen ook andere indicaties zijn die een rol kunnen spelen. Dit zal door de Raad van geval tot geval worden beoordeeld.
Toelichting: Bij studenten en tijdelijke bewoning gedurende de studie is niet per sé de intentie om duurzaam samen te wonen. Ook zal vaak sprake zijn van een individueel huurcontract van kamer/woonruimte.
- Bij een scheiding of verbreking samenwoning tussen rechtzoekende en partner, de rechtzoekende kostwinner is en de partner geen inkomen heeft;
Gebruikersinstructie: Door een fakenaam in te voeren op de plek van de partner kun je de G-norm toepassen. Als standaard fakenaam gebruiken we “Partner” met geboortedatum 010101.
Het is niet de bedoeling om deze fakenaam van identificatiegegevens als voorletters, adres en/of BSN te voorzien van de echte partner. Je gebruikt altijd de reeds bestaande (Gras klantenbestand) fakenaam “Partner” met geboortedatum 010101.
- Een alleenstaande ouder met minderjarige kind of kinderen, tenzij er sprake is van een duurzaam gezamenlijke huishouding met een partner of huisgenoot;
- De rechtzoekende kinderbijslag ontvangt voor een uitwonend kind of als er sprake is van co-ouderschap.
Toelichting: Rechtzoekende is een co-ouder als de dagelijkse opvang en opvoeding van het kind op jaarbasis ongeveer gelijk is verdeeld tussen de ouders.
Tegenstrijdige belangen
Voorgaande is niet van toepassing als er sprake is van tegengestelde belangen tussen de rechtzoekende en de partner of huisgenoot (art. 34 lid 3 Wrb). De Raad beoordeelt dat hiervan sprake kan zijn bij (onder meer) een echtscheiding, verbreking samenwoning of huiselijk geweld tussen rechtzoekende en de partner of huisgenoot. In deze gevallen past de Raad de alleenstaande (ouder) norm toe.
Gehuwd of geregistreerd partnerschap, niet wonend op zelfde adres
Ook als de rechtzoekende gehuwd is of een geregistreerd partnerschap heeft, maar niet op hetzelfde adres als de partner woont, is sprake van een gemeenschappelijk huishouding. Als de aanvrager in de aanvraag motiveert dat de partners duurzaam gescheiden leven en in de toekomst niet meer als gehuwde of geregistreerde partners wil samenleven dan kan de Raad de alleenstaandennorm of alleenstaande oudernorm toepassen.
Gedetineerden
Als rechtzoekende gedetineerd is, wordt het inkomen en vermogen van de partner niet meegenomen (de alleenstaande norm wordt toegepast). Als de partner van de rechtzoekende gedetineerd is, beoordeelt de Raad dat sprake is van een ‘duurzame gezamenlijke huishouding’
Toelichting: Deze keuze maakt de Raad omdat dit voor beide situaties het meest gunstig is.
Gebruikersinstructie:
Is de partner gedetineerd of is de vrijheid om andere redenen ontnomen (art. 6 Bebr), dan hanteer je tóch de gehuwdennorm (G). Je neemt dan aan dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven. Heeft de partner tijdens zijn vrijheidsontneming geen inkomen en vermogen, dan zet je het inkomen van de partner op nul (0) en de status van zijn inkomen op 'handmatig' (H). De partner verklaart dit met de ingevulde en ondertekende ‘Eigen verklaring vrijheidsontneming’.
Als de aanvrager gedetineerd is en deze heeft een partner, dan neem je de draagkracht van de partner níet mee. We gaan niet uit van een duurzame gezamenlijke huishouding. Je stelt de eigen bijdrage op nihil.
Wetsgeschiedenis
In het eerste lid van artikel 34 wordt de toegang tot het stelsel van de rechtsbijstand geregeld. Daarbij wordt bepaald dat alleenstaanden recht hebben op gesubsidieerde rechtsbijstand wanneer hun inkomen niet meer is dan € 22.700 per jaar. Voor degenen die een gemeenschappelijke huishouding voeren is de grens € 28.700. In het huidige recht wordt uitgegaan van een netto-inkomen per maand.
Het nieuwe systeem sluit aan bij het fiscale inkomensbegrip. Dit begrip gaat uit van het verzamelinkomen. De onderhavige bepaling sluit hierop aan. Bij de keuze van de bedragen is ervan uitgegaan dat dezelfde groep als thans onder het bereik van het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand valt. Bij de berekening van het jaarinkomen zijn de huidige bedragen zo goed als mogelijk is, omgerekend op basis van het belastingregiem zoals dat geldt na 1 januari 2001. Aangezien de belastingaangiften onder het nieuwe regiem nog niet allemaal zijn afgerond zijn nog geen cijfers beschikbaar over de exacte omrekening van de inkomensgrenzen. Het is dus mogelijk dat naderhand enige correctie moet plaatsvinden van deze grenzen. Het zal hier echter gaan om een geringe correctie waarmee wordt beoogd de huidige inkomensgrenzen zo goed mogelijk te benaderen met inachtneming van het nieuwe inkomensbegrip. Op dit moment wordt verwacht dat de monitoring van deze berekeningswijze aan het einde van het jaar is afgerond. Alsdan kan bij nota van wijziging de correctie worden doorgevoerd.
Op de keuze van de hoogte van het vermogen in het tweede lid is in het algemeen deel ingegaan. Het derde lid stemt overeen met het derde lid van het huidige artikel 34.
Daarbij wordt opgemerkt dat de partner op grond van dit lid een ander kan zijn dan de fiscale partner.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 29 685, nr.3 p. 16 en 17)
Relevante jurisprudentie
ECLI:NL:RVS:2013:BZ0783 Duurzaam gescheiden leven